Posts tonen met het label solipsisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label solipsisme. Alle posts tonen

maandag 31 oktober 2011

Hou vast

Venn diagram, wereldbeeld, beelden. Het blijft abstract. We denken met de waarheid van doen te hebben, maar het is hooguit een gelaagd beeld van een uiteindelijke werkelijkheid.  Ieder beeld zelf is als beeld al een formaat voor datgene wat het beeld moet verbeelden, iedere gelaagdheid vormt daarmee als afgietsel een vervorming van deze uiteindelijke werkelijkheid.
Is er wel een uiteindelijke werkelijkheid?
Als deze uiteindelijke werkelijkheid er is, is deze kenbaar, en is deze kenbaar met onze gedachten?

Over de werkelijkheid van de uiteindelijke werkelijkheid zou ik kort willen zijn. Het is misschien onbewijsbaar dat wat ik allemaal als werkelijk ervaar ook werkelijk is, het is wel zeer aannemelijk. Zoals we logische redenaties aannemelijk vinden, en op grond daarvan in onze conditioneringen conclusies durven trekken, zo wordt ons leven leefbaar doordat we aannemen dat ons leven geen projectie is aan de binnenzijde van een zeepbel. Het gelaat van de ander die we ontmoeten is het werkelijk gelaat van een werkelijk ook levende ander en niet een droom in de nacht van mijn eeuwige duisternis.Zoals ik al bij beelden aangaf zie ik solipsisme als een onvolgroeid stadium voor het denken. Dit overstijgen van solipsisme lijkt mij een ontwikkelproces van ons organisme met overlevingspotentieel (evolutionair denken). Ik zoek hier dus niet naar bewijs maar beroep mij op een als enig werkbaar te beschouwen aanname. Vandaar de nadruk die ik hier erop wil leggen, het is een fundamentele bouwsteen. Ik ben me ervan bewust met de introductie van deze bouwsteen materiaal te hebben gebruikt dat nog nadere introductie behoeft, zoals de logische redenatie, de conditionering en last but not least het leefbare leven als criterium getoetst in het gelaat van de ander. Dat zijn allemaal onderwerpen die op zich eigen gedachten rechtvaardigen. Hou vast voor dit moment. Ik wil daarop terugkomen op een ander moment met gepaste aandacht.

Om nog eens terug te komen op het karakter van aanname voor de bouwsteen. We oefenen een ontkenning. Gesteld dat het inderdaad zo zou zijn dat er geen uiteindelijke werkelijkheid ten grondslag ligt aan de beelden die ik in mijn bewustzijn meen waar te nemen. Dan mag ik deze situatie (van eindeloze verbeelding) beschouwen als de uiteindelijke werkelijkheid. Gezien het eindeloos karakter van de verbeelding is deze werkelijkheid niet kenbaar. Ieder contact met de ander is onwerkelijk omdat al onze beelden van de ander en van de contacten zelf afbeeldingen van onwerkelijkheid zijn. Ieder criterium van leefbaarheid dat gebaseerd is op het gelaat van de ander zal het noodzakelijk maken om ook al is dit dan indirect als aanname voor deze ander van eenzelfde situatie (van eindeloze verbeelding). Die weer beschouwt kan worden als de uiteindelijke werkelijkheid ook voor deze ander. Kortom, op basis van de noodzaak tot inleving in de ander vervalt het onderscheid van een indirecte met een directe aanname van de aanwezigheid van een uiteindelijke werkelijkheid.
Ofwel, alleen in een volkomen egocentrisch wereldbeeld heeft deze aanname geen zin. Egocentrisme gezien als menselijk gedrag, niet als oordeel. Waarbij ik wel meteen wil opmerken dat, kijkend naar het gedrag van ons mensen, egocentrisme maar een van onze gedragsvarianten is, er bestaan ook ander, empathie gebaseerd gedrag. Ofwel, het ligt in onze aard om onszelf te bekommeren met het gelaat van de ander. Spreekt vanzelf.

Na al dit zweet over de uiteindelijke werkelijkheid komen we nu as op de vraag van de kenbaarheid ervan. En dan vervolgens de kenbaarheid in onze gedachten. Maar dat zijn andere gedachten.

Waar mijn gedachte nu op neer gaat komen dat is:
1) ik zie geen houvast, geen vaste bakens, geen vaste grond, we tasten samen in het duister
2) het is belangrijk om vast te houden, aan me zelf, aan wat ik belangrijk vind, aan elkaar, aan wat wij samen belangrijk vinden.

Kortom: hou vast.

zondag 16 oktober 2011

Beelden

Man striding, Giacometti
Zoals wel blijkt uit mijn vorige berichten denk ik dat we onze gedachten vooral omzetten in beelden. We  spreken ook vaak over denkbeelden. Het in stand houden van een wereldbeeld is in mijn beleving de belangrijkste reden voor mensen om te denken. Verschillende beelden. Veel miscommunicatie wordt veroorzaakt doordat mensen verschillende betekenissen hechten aan een begrip dat ze gezamenlijk gebruiken, ze hebben een verschillend beeld. Dus laat ik toch eens proberen te duiden wat ik bedoel met het begrip beeld.
In dit verband bedoel ik met een beeld: de voorstelling die ik heb van iets anders. Een voorstelling die ruimtelijk kan zijn en misschien zelfs materieel, maar dat hoeft niet. Het is niet datgene waarvan ik mij een voorstelling maak, het is een weergave daarvan. Dat kunnen concrete beelden zijn, maar ook abstracte beelden. De kracht van beelden is vaak hierin gelegen dat ze een complexe werkelijkheid reduceert tot een overzichtelijk geheel. De wiskunde is een taal ontwikkeld om zoveel mogelijk met abstracte, van betekenis ontblootte beelden te werken. Zoals bijvoorbeeld getallen, "verzameling" of het begrip "afbeelding".
wiskundig begrip afbeelding

Een beeld kan ik mij gevormd hebben om verschillende redenen, uiteindelijk is er altijd een (1)  dwingende reden, ons denken kan niet de werkelijkheid zelf omvatten, maar enkel en alleen een weergave, afbeelding, daarvan. We kunnen ons denken vergelijken met het wiskundige begrip afbeelden. Een van de basisbouwstenen van onze hersenen wordt gevormd door neurale netwerken, die precies dit doen, afbeelden. En vaak ontleent de afbeelding zijn kracht aan het feit dat ze een weergave is van slechts een deel van dat wat wordt afgebeeld.

En dat wordt vaak vergeten. We denken dat we de uiteindelijke waarheid kunnen kennen en daarmee dat we greep hebben op de werkelijkheid. Maar het is nooit de werkelijkheid zelf die we in beeld hebben. Wat we vervolgens doen is dat we ons beeld van de werkelijkheid verwisselen met de werkelijkheid zelf, of algemener de afbeelding met het afgebeelde. De afbeelding gaat een eigen leven leiden. En dat gaat alleen maar goed zolang onze afbeelding en de daaruit voorkomende verwachtingen dicht genoeg blijven bij datgene dat wordt afgebeeld (ziehier de reden waarom sommige religies een beeldverbod kennen en hoe een beeldenstorm gerechtvaardigd wordt).

Maar het gaat verder. Bijvoorbeeld: als we nadenken over wat we kunnen doen met een spons, dan kunnen we niet een spons in ons hoofd onderzoeken (beeld), we kunnen enkel ons beeld van de spons onderzoeken. Wat we natuurlijk wel kunnen doen is een spons in onze handen nemen en erin knijpen. Goed idee, ons beeld van de werkelijkheid groeit, en daarmee de mogelijkheden die we zien met de spons, maar het blijft een beeld van de spons, gevormd door onze tastzin reuk, gezichtsvermogen enzovoorts.
Ik kom met een voorbeeld waarin ik die spons proefondervindelijk onderzoek. Maar onze wereld bestaat niet alleen uit proefondervindelijke ervaringen, we vormen ons vooral beelden op basis van de beelden van anderen. Onze taal waarmee we leren spreken en communiceren is een verzameling van gewoonten. Gewoonten over de betekenissen die we hechten aan onze klanken, woorden, zinsconstructies. Daarmee zijn woorden afbeeldingen van een betekenis die we zelf in ons hoofd als beeld dragen. Beelden waarvan we hopen dat deze in degenen met wie we communiceren een zelfde betekenis oproepen.

Uiteindelijk leven we in een wereld met een enorme gelaagdheid in het toekennen van betekenis, en we verademen als we weer eens in zoiets eenvoudigs kunnen knijpen als een spons. Of een duik kunnen nemen in zee, om er een spons op te vissen en ons daarbij te verwonderen.

Hoe zit het nu met die spons die we opgedoken hebben. Is het tastbare werkelijkheid? Of is het uiteindelijk ook mijn verbeelding? En als we die spons laten zien aan een ander, kunnen we dan duidelijk maken wat deze spons voor mij betekent? Kunnen we begrijpen wat deze voor de ander betekent, kunnen we elkaar überhaupt begrijpen? Ik denk dat we al deze vragen min of meer met nee moeten beantwoorden. Ja, de spons is tastbare werkelijkheid, maar de werkelijkheid van de spons is slechts voor een deel tastbaar, zichtbaar, een deel van die werkelijkheid onttrekt zich aan onze waarneming. Daarbij wordt mijn waarneming mede gestuurd door mijn verwachtingen, enige scepsis is daarmee geboden over wat ik denk waar te nemen. Ons beeld van de spons is een verbeelding, toch zal ik wel aannemen dat er in de werkelijkheid een spons is (ik ga niet uit van solipsisme, ik geloof in de werkelijkheid en de mogelijkheid tot uitwisseling hierover, in ieder geval als volwassen pragmatisme, solipsisme is onvruchtbaar).
We kunnen in wetenschappelijke of wiskundige termen praten over de spons, heel nuttig, maar we kunnen daarmee onze beleving van de spons niet aan een ander meedelen. Als dat al zo moeilijk wordt bij zoiets als een spons, laat staan dat we een ander dan volledig kunnen begrijpen?

Zoals gezegd, de kracht van beelden is vaak gelegen in de reductie die het biedt. Daardoor houden we overzicht, en is het eenvoudiger om met anderen te communiceren. Daarmee stellen we onszelf in staat om tot gezamenlijk handelen en overeenstemming te komen. We hebben het eigen leven van de beelden nodig. Alleen een beeld dat in ons weer tot leven komt, kan ons ook weer in beweging brengen.

Kortom, we denken in beelden, en daarmee denken we een gezamenlijk beeld van de werkelijkheid te hebben. De werkelijkheid is onkenbaar, en daarmee zullen de beelden ook altijd voor ons in beweging blijven. Kan ons beeld van de werkelijkheid ooit volledig zijn, als we voor elke vraag en elk gevonden antwoord weer nieuwe vragen kunnen oproepen?